Er zijn verschillende redenen waarom de Duitse auto-industrie het momenteel zo moeilijk heeft.
Vaak wordt gewezen op de hoge kosten. En terecht. Produceren in Duitsland is aanzienlijk duurder dan in China. Dat geldt niet alleen voor de lonen, maar ook voor de energieprijzen en de regelgeving.
Toch denk ik dat dit niet de belangrijkste oorzaak is.
De echte omslag is de overgang van auto’s met een verbrandingsmotor naar elektrische auto’s. Bij een elektrische auto vormen de batterij en de aandrijflijn de kern van het product. Juist op die onderdelen heeft China wereldwijd een dominante positie opgebouwd. Het land beheerst een groot deel van de productie van batterijen, de toeleveringsketen van grondstoffen en een belangrijk deel van de productie van elektromotoren.
Daardoor wordt het voor Europese autofabrikanten steeds moeilijker om zich technologisch te onderscheiden. Als de belangrijkste onderdelen grotendeels van dezelfde leveranciers komen, blijft vooral het ontwerp, de afwerking, de software en de merkbeleving over als onderscheidende factoren.
Ook op dat vlak neemt de concurrentie toe. Chinese fabrikanten investeren veel in design, technologie en kwaliteit. Bovendien hebben verschillende Chinese bedrijven de afgelopen jaren Europese automerken of ontwerpstudio’s overgenomen of zijn zij intensief gaan samenwerken met Europese kennispartners. Daardoor wordt ook het traditionele Europese voordeel op het gebied van ontwerp en techniek kleiner.
Als Europa weer een leidende positie in de auto-industrie wil innemen, zal het op een nieuw technologisch terrein een voorsprong moeten opbouwen. Sommigen zien waterstoftechnologie als een mogelijke kans, al is nog onzeker of waterstof voor personenauto’s uiteindelijk een belangrijke rol zal spelen.
Feit blijft dat China zich de afgelopen twintig jaar een dominante positie heeft verworven in de keten van elektrische voertuigen. Europese autofabrikanten hebben die ontwikkeling lange tijd onderschat en zijn daardoor op achterstand geraakt.