Dinsdag schreef ik over mijn verwachting voor het rentebesluit van de FED. Naar mijn mening was een renteverlaging niet waarschijnlijk, ondanks de grote druk die president Trump op de centrale bank uitoefent. Een renteverhoging lag evenmin voor de hand, omdat die de financiële markten had kunnen verontrusten. Zo’n stap zou immers kunnen worden opgevat als een signaal dat de Amerikaanse economie er slechter voor staat dan gedacht.
Mijn conclusie was daarom dat de FED de rente ongewijzigd zou laten. Dat bleek inderdaad het geval.
Opvallend was wel dat drie van de twaalf stemgerechtigde beleidsmakers vóór een renteverhoging stemden. Ik vermoed dat zij zich ervan bewust waren dat hun voorstel geen meerderheid zou krijgen, maar toch een duidelijk signaal wilden afgeven dat de inflatie en de economische omstandigheden eigenlijk om een hogere rente vragen.
Vanuit economisch oogpunt is daar ook iets voor te zeggen. De inflatie is nog niet volledig onder controle en onder normale omstandigheden zou een hogere rente een logische reactie kunnen zijn.
Maar de economie is niet de enige factor waarmee rekening moet worden gehouden. De Amerikaanse overheid kampt ook met een enorme schuldenlast. Een hogere rente betekent dat nieuw uitgegeven staatsleningen duurder worden en dat de rentelasten op termijn verder oplopen. Dat legt extra druk op de federale begroting.
Vanuit dat perspectief zou een forse beperking van de overheidsuitgaven voor de hand liggen. In de praktijk gebeurt echter vaak het tegenovergestelde. Zowel Republikeinse als Democratische regeringen hebben de Amerikaanse staatsschuld de afgelopen decennia verder laten oplopen. Republikeinen profileren zich traditioneel als voorstanders van begrotingsdiscipline, maar vooral onder Republikeinse presidenten zijn de overheidstekorten regelmatig heel fors toegenomen.