De tegenstanders van AZC’s hebben zich inmiddels landelijk verenigd. Vaak zie je daarbij ook de meest extreme vormen van ultrarechts opduiken. Dat vind ik diep triest. Maar tegelijk ben ik inmiddels ervaringsdeskundige geworden in hoe angstige politici mensen bijna richting zulke uitersten duwen.
In mijn dorp durfden de bestuurders het niet aan om vooraf open het gesprek met inwoners aan te gaan. In plaats daarvan kozen ze voor een overvaltechniek.
De gemeenteraad had namelijk al eerder besloten dat, áls er ooit een AZC zou komen, dit overal mocht worden gevestigd behalve binnen de bebouwde kom. Daarmee was de keuze feitelijk al gemaakt: het moest dus wel in het buitengebied komen.
Achteraf zeiden gemeenteraadsleden die zelf binnen de bebouwde kom wonen: “Als het in mijn wijk zou komen, zou ik er niet op tegen zijn.” Alleen wringt daar iets. Juist zij hadden vooraf al geregeld dat het AZC nooit in hun eigen wijk kón komen. Nabij de beoogde locatie woont geen enkel raadslid dat destijds over die regel mocht meebeslissen. Die spelregels waren dus al vastgesteld voordat er überhaupt over een concrete locatie werd gesproken.
De wethouder — nota bene gekozen omdat ze zei af te willen rekenen met achterkamertjespolitiek — kwam vervolgens naar de bewoners van het buitengebied met de mededeling: “We hebben het al besloten.”
Dat viel extra slecht, omdat de gemeente in de jaren daarvoor in hetzelfde buitengebied een keihard handhavingsbeleid had gevoerd. Schuurtjes moesten worden afgebroken, bankjes mochten niet in de tuin staan, allemaal onder dreiging van torenhoge boetes. Veel voormalige boerderijen hadden officieel nog een landbouwbestemming. Bewoners dachten dat ze gewoon een tuin hadden, maar juridisch gezien bleek het een weiland te zijn. Volgens de gemeente moest dat ook zo blijven.
Een bankje in de tuin werd gezien als recreatie. Een voetbaldoeltje voor de kinderen ook. Alles moest weg. Zelfs een tijdelijk opbouwzwembad voor kleinkinderen mocht niet blijven staan.
Kortom: de gemeente had in het buitengebied al weinig goodwill opgebouwd. En vervolgens kwam men zonder overleg vertellen dat er een AZC tussen de huizen zou worden geplaatst. Notabene op landbouwgrond!
Dan moet je er niet verbaasd over zijn dat vrijwel iedereen zich daartegen keert.
Dat is voor een groot deel de verantwoordelijkheid van de politiek zelf. Het arrogante optreden van bestuurders roept harde reacties op. Ook ik heb mij tijdens die bijeenkomst niet ingehouden. Ik vroeg de wethouder cynisch of ze me dan ook even wilde kussen, “want als ik genaaid word, wil ik ook een kus.” Daarmee was de toon gezet. De sfeer werd die avond alleen maar grimmiger. De arrogantie van de macht vergrootte de weerstand alleen maar verder.
Bij de daaropvolgende verkiezingen kreeg het enige raadslid dat nog de moeite nam om naar het buitengebied te komen ineens meer dan een derde van alle zetels.
Dat kan onmogelijk alleen door de inwoners van het buitengebied zijn veroorzaakt. Daar wonen simpelweg te weinig mensen voor. Een groot deel van het dorp was het blijkbaar zat.
Jarenlang hoor je politici praten over inspraak, overleg en betrokkenheid. Maar zodra het onderwerp lastig wordt, grijpen ze terug op achterkamertjespolitiek en machtspolitiek. Dan verschijnen ineens betonblokken en ME-busjes, en worden inwoners weggezet als relschoppers of criminelen.
In ons dorp is dat gedrag hard afgestraft bij de verkiezingen.
En uiteindelijk zijn het de statushouders die daar nu de dupe van zijn. Veel mensen hier zijn best bereid vluchtelingen op te vangen. Maar de manier waarop de lokale politiek dit heeft aangepakt, heeft dat vrijwel onmogelijk gemaakt. Tegelijkertijd maken de landelijke anti-AZC-groepen een normaal gesprek inmiddels óók steeds moeilijker.
Zo staan we tegenover elkaar, terwijl niemand elkaar nog vertrouwt.
Dat is een gevaarlijke ontwikkeling. Als mensen het gevoel krijgen dat ze alleen nog gehoord worden door zich net zo hard en onbeschoft op te stellen als de overheid, dan raakt de samenleving steeds verder beschadigd.
Daarom moeten we dat patroon doorbreken. De oplossing zal van beide kanten moeten komen. We kunnen niet blijven wijzen naar “de ander”; we zullen ook zelf bereid moeten zijn om weer normaal met elkaar in gesprek te gaan.
Daar probeer ik me in ieder geval bewust van te zijn. Ik hoop dat ik daarin niet de enige ben.