Dat was de straf voor iedere Amerikaan die het in 1933 waagde om zijn of haar goud niet bij de overheid in te leveren. Alleen Amerikanen die hun goud op tijd in het buitenland hadden ondergebracht konden de dans ontspringen. De rest begroef het goud diep, of leverde het tegen $20,67 per ounce in bij de overheid.
Het was toegestaan per persoon hooguit 5 ounces in goud in munten aan te houden. Zo konden relatief kleine, persoonlijke historische muntenverzamelingen intact blijven.
Toen ‘iedereen’ had ingeleverd, kwam het tweede deel van het bedrog. Direct na afloop van de inleveringsactie werd de prijs van goud door dezelfde overheid voortaan bepaald op $35 per ounce.
De Amerikaanse overheid had dus goedkoop inkopen gedaan.
Het gerucht is altijd rondgegaan dat de Amerikaanse overheid ook de kluizen van klanten bij banken opende om daar het goud uit te halen. Als zodanig is dat nooit rechtstreeks gedaan. Wel kwam de overheid via 3000 failliete banken in het bezit van een enorme hoeveelheid kluisjes en wie zijn kluisje niet kwam (of durfde) te claimen, was de inhoud kwijt aan de overheid.
Pas in 1975 werd het in Amerika weer legaal om goud te bezitten. Pas in 1977 werden alle resticties opgeheven. Vanaf dat moment mochten ook weer contracten worden gesloten waarbij naleving van een afspraak in de vorm van een vergoeding in goud werd verwacht. Vooral bij langlopende contracten was dat in het begin van de 20e eeuw een gangbare werkwijze. Ze is na 1977 niet meer breed terug in gebruik gekomen. Mijn inschatting is dat deze gang van zaken wel weer eens terug kan gaan komen.
Als je immers iemand 20.000 euro leent, dan wil je niet na een hyperinflatie periode ineens een waardeloos bedrag terugkrijgen. Een contract met daarin 20.000 euro, of 10 ounces goud, te bepalen door de verstrekker van het geld is een veel eerlijker contract voor de uitlener.
10 jaar gevangenisstraf
80
previous post